We willen het milieuprofiel van beton steeds verder verlagen en daarvoor gaan we op zoek naar nieuwe grondstoffen. Daarnaast kijken diverse industrieën naar mogelijkheden voor toepassing van hun reststromen in beton. Er zijn echter nogal wat normen en richtlijnen waar beton en grondstoffen voor beton aan moeten voldoen, waardoor een nieuwe grondstof niet zomaar toegepast mag worden. In deze Betoniek geven we antwoord op de vraag hoe regelgeving voor nieuwe grondstoffen ontwikkeld kan worden.
De verduurzaming van beton vraagt om de inzet van nieuwe en alternatieve grondstoffen, maar bestaande normen en rekenregels zijn gebaseerd op decennialange ervaring met regulier beton.
De Eurocode en EN 206 koppelen mechanische eigenschappen en levensduur impliciet aan traditionele grondstoffen; bij afwijkende grondstoffen is niet vanzelfsprekend dat deze relaties blijven gelden.
Voor beton met alternatieve toeslagmaterialen, vulstoffen of bindmiddelen kunnen correctiefactoren volstaan, maar bij grotere afwijkingen is aanvullend onderzoek of aangepaste rekenregels noodzakelijk.
In Nederland zijn generieke procedures ontwikkeld voor de beoordeling van nieuwe grondstoffen, waaronder CUR-rapport 94-12, de SBRCURnet-beoordelingsmethodiek (2015) en RTD 1034 van Rijkswaterstaat.
Deze procedures schrijven naast standaardproeven ook onderzoek voor naar minder vaak bepaalde eigenschappen, zoals kruip, krimp, langeduurdruksterkte en thermisch gedrag.
De beoordeling van nieuwe betonmengsels vraagt om maatwerk, waarbij per toepassing wordt bepaald welke eigenschappen relevant zijn en welke beproevingsmethoden geschikt zijn.
Naast constructieve prestaties en duurzaamheid moet ook de recyclebaarheid van beton met nieuwe grondstoffen worden beoordeeld, onder meer via CROW-CUR Richtlijn 2:2021.
Voor brede toepassing van een nieuwe grondstof wordt doorgaans een CROW-CUR Aanbeveling opgesteld, gevolgd door een certificeringstraject (zoals KOMO).
Het ontwikkelen van nieuwe regelgeving vergt tijd en onderzoek, maar dankzij bestaande Nederlandse procedures kunnen kansrijke innovaties relatief snel worden opgeschaald naar de praktijk.
Gewapend beton passen we al zo'n 200 jaar toe. Het gaat daarbij om beton op basis van natuurlijke harde dichte toeslagmaterialen en cement met portlandcementklinker als basis. In de loop van die twee eeuwen is onze kennis over de eigenschappen van dit materiaal enorm toegenomen en zijn op basis van onderzoek en praktijkproeven de grenzen van de constructieve mogelijkheden steeds verder opgezocht.
De rekenregels voor de constructeur, zoals vastgelegd in de Eurocode en de eisen die in productnormen worden gesteld aan beton en de grondstoffen voor beton, zijn gebaseerd op onderzoek van en ervaringen met regulier beton in de afgelopen vele decennia. Veel eigenschappen worden daardoor niet meer expliciet genoemd maar zijn impliciet opgenomen in de veelal empirische formules. Als we andere grondstoffen gaan gebruiken kan dat leiden tot andere eigenschappen en dan is het maar de vraag of deze formules nog van toepassing zijn.
In deze Betoniek besteden we aandacht aan enkele van die 'vergeten eigenschappen'. Het belang hiervan neemt toe nu we met steeds meer alternatieve toeslagmaterialen en bindmiddelen proberen om het milieuprofiel van beton te verlagen. Maar we kijken eerst hoe de betoneigenschappen en rekenregels aan elkaar gekoppeld zijn. Vervolgens gaan we in op enkele generieke procedures voor de beoordeling van nieuwe grondstoffen voor beton, waarna we kijken naar de mogelijkheden om regelgeving op te stellen voor de beoordeling van nieuwe grondstoffen en betonsoorten. We eindigen met drie voorbeelden van 'vergeten eigenschappen' die tijdens een beoordeling meegenomen zouden kunnen worden.
Reacties